ECLI:NL:RBMNE:2023:2357
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar van de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning aan een adres in Utrecht, gesteld op €654.000 per waardepeildatum 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde in de uitspraak op bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de heffingsambtenaar, die een taxatiematrix met drie vergelijkbare referentiewoningen overlegde. Deze woningen waren qua ligging, bouwjaar en oppervlakte vergelijkbaar en recent verkocht rond de waardepeildatum. De rechtbank achtte de gebruikte referentiewoningen en de gehanteerde waarderingsmethodiek aannemelijk en voldoende onderbouwd.
Eiser trok tijdens de zitting meerdere beroepsgronden in, waaronder over ligging nabij een stichting, brandgang en onderhoudstoestand. Andere aangevoerde gronden, zoals het niet inzichtelijk maken van grondstaffels en onvoldoende rekening houden met afnemend grensnut, werden door de rechtbank gemotiveerd verworpen. Ook het betoog over waardedruk door nabijgelegen afvalcontainers werd niet aannemelijk geacht.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht niet teruggegeven en geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €654.000 wordt ongegrond verklaard.