Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
huur’(bijlagen 5 tot en met 9 bij het boeterapport) op het uit te betalen minimumloon. Volgens de minister is er niet voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Eiseres beschikte namelijk niet over afschriften van de huurovereenkomsten. Daarnaast hebben de betreffende vijf werknemers van eiseres geen schriftelijke volmachten gegeven voor het inhouden van de huisvestingskosten. Verder beschikte eiseres niet over een SNF-certificaat. [2] In bezwaar heeft eiseres een brief overgelegd waaruit blijkt dat de onderneming van eiseres is (her)beoordeeld op de eisen uit het SNF-schema en dat de resultaten daarvan worden voorgelegd bij het register SNF. Nergens blijkt hier echter uit dat eiseres daadwerkelijk over een SNF-certificaat beschikt, meer in het bijzonder niet ten tijde van de begane overtredingen. Eiseres is ook niet opgenomen in het register SNF, dat kan worden geraadpleegd op de website [internetsite] . De werknemers hebben als gevolg hiervan te weinig loon ontvangen.
De toezichthouder BRP gemeente VHL heeft de interviews gevoerd met deze personen voor zover zij te verstaan waren in de Poolse taal en vertaald werden door een Pool die iets Engels sprak.” De minister heeft verder geen feiten genoemd waaruit kan worden afgeleid dat de werknemers na 23 respectievelijk 25 september 2019 nog voor eiseres werkten.
werktenen dat zij plukwerkzaamheden in de fruitteelt
deden. Hieruit kan derhalve niet worden afgeleid dat zij op dat moment, ten tijde van de controle, nog werkzaam waren voor eiseres. Daarbij geldt dat er verder geen feiten en omstandigheden zijn genoemd op grond waarvan objectief vastgesteld kan worden dat er een redelijk vermoeden bestaat dat zij op dat moment nog werkzaam waren voor eiseres. Daar komt bij dat de personen
niethebben verklaard tot half oktober werkzaam te zijn, zoals de minister stelt, maar dan terug te gaan naar Polen met bus of auto, hetgeen hun aanwezigheid op dat moment kan verklaren. Tot slot is [A] niet gevraagd of in 2019 de (betreffende) werknemers ook nog in de eerste week van oktober hebben gewerkt, terwijl zijn algemene verklaring over overwerk in de maand oktober hem wel in dit kader wordt tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt.