ECLI:NL:RBMNE:2023:2363
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van horecapand met proceskostenveroordeling wegens schending artikel 40 Wet WOZ
Eiseres betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van een horecapand aan een adres in een Nederlandse plaats, vastgesteld op €851.000,- per 1 januari 2020 voor het belastingjaar 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank behandelde het beroep en beoordeelde de onderbouwing van de waarde via de huurwaardekapitalisatiemethode (HWK).
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, ondanks dat eiseres enkele referentieobjecten ter onderbouwing van huurwaarde en kapitalisatiefactor betwistte. Twee referentieobjecten werden buiten beschouwing gelaten wegens onvoldoende vergelijkbaarheid. De rechtbank vond de overige referentieobjecten voldoende representatief.
Eiseres stelde dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40 Wet Pro WOZ niet tijdig de huurgegevens had verstrekt tijdens de bezwaarfase. De rechtbank stelde vast dat dit verzoek was gedaan en herhaald, maar niet volledig was ingewilligd, waardoor sprake was van een schending van artikel 40. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat de gegevens alsnog in de beroepsfase beschikbaar waren. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Ten slotte concludeerde de rechtbank dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees het beroep ongegrond toe. De uitspraak vernietigde de uitspraak op bezwaar en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten van €837,- en het griffierecht van €50,-.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met een proceskostenveroordeling wegens schending artikel 40 Wet WOZ.