De zaak betreft een kort geding tussen ouders over de uitvoering van een zorgregeling voor hun bijna negenjarige dochter, die haar hoofdverblijf bij de vader heeft. De zorgregeling was bij beschikking van 15 december 2022 vastgesteld, maar de vader weigerde deze na te komen, waardoor de omgang tussen moeder en dochter sinds november 2022 is gestopt.
De vader vorderde opschorting van de zorgregeling wegens ernstige zorgen over de moeder, waaronder valse beschuldigingen van seksueel misbruik die in het verleden zijn onderzocht en geseponeerd. Hij vreesde verdere schade voor de dochter en zichzelf. De moeder vorderde nakoming van de zorgregeling met een verhoogde dwangsom en machtiging tot inschakeling van politie en justitie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van de dochter bij omgang met haar moeder zwaarder weegt dan de vrees van de vader. De beschuldigingen zijn onderzocht en niet bewezen, en de moeder heeft beloofd deze niet meer te uiten. De zorgregeling moet worden nagekomen, met een dwangsom van €5.000 per dagdeel bij niet-nakoming en machtiging tot inzet van de sterke arm. De vorderingen van de vader tot opschorting en aanhouding zijn afgewezen.
De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard om snelle hervatting van de omgang te waarborgen. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.