Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Raadkamernummer: 23.010611
Rechtbank Midden-Nederland
Verdachte is gedagvaard voor het onder feit 3 tenlastegelegde, namelijk het verrichten van handelingen ter voorbereiding en/of bevordering van de productie van middelen die op lijst I en II van de Opiumwet staan, in de periode van 1 januari 2016 tot en met 25 oktober 2021 in Hilversum.
Het bezwaarschrift betoogt dat de dagvaarding lichtvaardig is uitgebracht en dat er onvoldoende bewijs is om tot een veroordeling te komen, mede omdat de rechter-commissaris geen ernstige bezwaren had en er geen belastende stukken zijn toegevoegd.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar ontvankelijk is en dat de procedure een summier karakter kent, waarbij niet vooruitgelopen wordt op de inhoudelijke behandeling. De rechtbank stelt dat het niet hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter het tenlastegelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten.
Daarom verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond en bevestigt zij de dagvaarding. De beslissing is genomen door drie rechters in aanwezigheid van de griffier en openbaar uitgesproken op 17 mei 2023.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de dagvaarding is ongegrond verklaard en de dagvaarding blijft in stand.