ECLI:NL:RBMNE:2023:2601
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verschoning van rechter ongegrond verklaard wegens ontbreken objectieve vrees voor vooringenomenheid
Een kinderrechter heeft verzocht zich te verschonen voor de behandeling van een bodemzaak, omdat zij recent op een verzoek voorlopige voorzieningen had beslist in dezelfde zaak. Verzoekster stelde dat zij de bodemzaak op zijn eigen merites zou beoordelen, maar wilde verschoning aanvragen vanwege de vrees van een partij voor vooringenomenheid.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij is overwogen dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren.
De kamer oordeelde dat de enkele subjectieve vrees van een partij onvoldoende is voor verschoning en dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schijn van partijdigheid bestaat. Daarom is het verzoek tot verschoning ongegrond verklaard.
De beslissing is genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2023. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.