ECLI:NL:RBMNE:2023:2601

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juni 2023
Publicatiedatum
2 juni 2023
Zaaknummer
557518 / HA RK 23-105
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 40 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verschoning van rechter ongegrond verklaard wegens ontbreken objectieve vrees voor vooringenomenheid

Een kinderrechter heeft verzocht zich te verschonen voor de behandeling van een bodemzaak, omdat zij recent op een verzoek voorlopige voorzieningen had beslist in dezelfde zaak. Verzoekster stelde dat zij de bodemzaak op zijn eigen merites zou beoordelen, maar wilde verschoning aanvragen vanwege de vrees van een partij voor vooringenomenheid.

De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij is overwogen dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren.

De kamer oordeelde dat de enkele subjectieve vrees van een partij onvoldoende is voor verschoning en dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schijn van partijdigheid bestaat. Daarom is het verzoek tot verschoning ongegrond verklaard.

De beslissing is genomen door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en is in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2023. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 557518 / HA RK 23-105
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 2 juni 2023
op het verzoek in de zin van artikel 40 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van:
mr. M.A.A. ter Meer-Siebers,
kinderrechter,
(verder te noemen: verzoekster).

1.De procedure

1.1.
De meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken (verder: verschoningskamer) heeft op 30 mei 2023 het verzoek tot verschoning van verzoekster ontvangen in de zaak met zaaknummer C/16/552047 / FL RK 23/140.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek tot verschoning plaatsgevonden.
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoekster heeft aan haar verschoningsverzoek ten grondslag gelegd dat op 13 juni 2023 de behandeling van een bodemzaak bij haar gepland staat, in welke zaak verzoekster op 19 april 2023 op een verzoek voorlopige voorzieningen heeft beslist. Nu verzoekster zo recent nog heeft geoordeeld over het verzoek voorlopige voorzieningen, kan verzoekster het zich voorstellen dat de cliënt van mr. Van Riet vreest voor vooringenomenheid. Het lijkt haar daarom beter om zich te verschonen, zodat een andere rechter de bodemzaak op 13 juni 2023 kan behandelen.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 40 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 36 Rv Pro. Artikel 36 Rv Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten immers vertrouwen kunnen stellen in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
3.4.
Naar het oordeel van de verschoningskamer kunnen de door verzoekster aangevoerde redenen voor haar verzoek niet worden aangemerkt als een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in overweging 3.2. Weliswaar blijkt uit het verzoek van verzoekster dat zij recent heeft beslist op een verzoek voorlopige voorzieningen en dat over de daar voorliggende kwestie binnenkort de behandeling van de bodemzaak gepland staat bij verzoekster. Verzoekster stelt echter ook in haar verzoek dat zij de bodemzaak op zijn eigen merites zou beoordelen. De verschoningskamer ziet geen reden om eraan te twijfelen dat verzoekster dat ook zal doen. Verder heeft verzoekster aangegeven dat zij zich kan voorstellen dat één van de partijen vreest voor vooringenomenheid. De enkele subjectieve vrees van een partij voor vooringenomenheid is echter onvoldoende voor een verschoning. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schijn kan bestaan dat het haar aan onpartijdigheid zal ontbreken. Het verzoek zal daarom ongegrond worden verklaard.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de verschoningskamer het verzoek tot verschoning ongegrond verklaren.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
verklaart het verzoek tot verschoning ongegrond;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling familierecht en de president van deze rechtbank;
Deze beslissing is gegeven door mr. R.C. Stijnen, voorzitter, mr. D. Wachter en mr. H.B.W. Beekman als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.