Uitspraak
1.De procedure
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen verzoeker en mr. Charbon.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die zijn civiele zaak behandelde, met als gronden onder meer het voortzetten van de mondelinge behandeling zonder gemachtigde, het niet mogen voordragen van een pleitnota, onvoldoende optreden tegen de wederpartij en vermeende onvoldoende dossierkennis van de rechter.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij het uitgangspunt is dat een rechter onpartijdig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen. De kamer oordeelde dat de genoemde procesbeslissingen, hoewel negatief ervaren door verzoeker, geen blijk geven van vooringenomenheid. Tevens is vastgesteld dat de rechter voldoende heeft opgetreden tegen de wederpartij en dat er geen aanwijzingen zijn voor onvoldoende dossierkennis.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek ongegrond en bepaalde dat de procedure in de civiele zaak moet worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.