ECLI:NL:RBMNE:2023:2692

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 juni 2023
Publicatiedatum
8 juni 2023
Zaaknummer
10068736
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 137 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet tekortschieten bij injectiewerkzaamheden tegen vocht in kelder

Eisers kochten een voormalige timmermanswerkplaats die werd verbouwd tot woning. Na constatering van vochtproblemen in de kelder gaven zij opdracht aan gedaagde om tweezijdig te injecteren. Eisers stelden dat het werk ondeugdelijk was en schakelden een deskundige in die een rapport opstelde met kritiek op het uitgevoerde werk.

De kantonrechter oordeelde dat partijen niet waren overeengekomen dat gedaagde het vochtprobleem zou verhelpen, maar alleen dat de wanden geïnjecteerd zouden worden zonder garantie op resultaat. Het rapport van de deskundige baseerde zijn oordeel op de aanname dat het vochtprobleem verholpen zou worden, wat niet het geval was.

Er is geen bewijs dat de injecties ondeugdelijk zijn uitgevoerd. Foto’s die de deskundige gebruikte zijn niet overgelegd en niet tijdens het onderzoek met partijen besproken, waardoor onduidelijk blijft of het vocht het gevolg is van ondeugdelijk werk. De vordering en nevenvorderingen worden afgewezen en eisers worden veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: Vordering afgewezen omdat niet is overeengekomen dat vochtprobleem wordt verholpen en geen bewijs van ondeugdelijk injectiewerk is geleverd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10068736 \ UC EXPL 22-5630
Vonnis van 7 juni 2023
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiser sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers c.s.] ,
gemachtigde: mr. H. Romeijn,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend bij haar directeur [A] .

1.De procedure

1.1.
[eisers c.s.] heeft [gedaagde] gedagvaard tegen 31 augustus 2022. Op 28 september 2022 heeft [gedaagde] schriftelijk gereageerd.
Op 24 januari 2023 is een mondelinge behandeling gehouden. Daarbij is [eisers c.s.] verschenen met zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] , directeur, samen met [B] en [C] . Partijen hebben vragen van de kantonrechter beantwoord en de griffier heeft aantekeningen gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat partijen zouden proberen de zaak nog in overleg op te lossen. Daarna heeft [gedaagde] nog een brief gestuurd die is ingekomen 15 maart 2023, en heeft [eisers c.s.] nog een brief gestuurd die is ingekomen 18 april 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Waar deze zaak over gaat

2.1.
[eisers c.s.] heeft in juli 2021 een voormalige timmermanswerkplaats gekocht en die laten verbouwen tot woning. In november 2021 constateerde [eisers c.s.] vochtproblemen in de kelder en heeft hij contact gezocht met [gedaagde] . [gedaagde] heeft op 1 december 2021 de situatie ter plaatse bekeken en op 14 december 2021 een offerte uitgebracht. Die offerte bestond uit 2 delen, 1A, het tweezijdig injecteren en 1B, het aanbrengen van een remmers bauwdicht. Op 16 december 2021 heeft [eisers c.s.] opdracht gegeven voor het uitvoeren van het tweezijdig injecteren. [gedaagde] heeft die werkzaamheden uitgevoerd. Op 2 februari 2022 heeft [eisers c.s.] aan [gedaagde] bericht dat de werkzaamheden niet tot het beoogde resultaat hebben geleid. Op verzoek van [gedaagde] heeft [eisers c.s.] foto’s gemaild, waarna [gedaagde] heeft laten weten dat er volgens haar sprake was van optrekkend vocht dat door de injecties niet wordt voorkomen.
2.2.
[eisers c.s.] heeft vervolgens [D] ingeschakeld om de werkzaamheden te beoordelen. [D] heeft op 6 mei 2022 de situatie ter plekke bekeken in het bijzijn van [eisers c.s.] en [B] en [C] van [gedaagde] . [D] concludeert in zijn rapport van 27 juni 2022 dat het uitgevoerde werk niet deugdelijk of toereikend is omdat er nog steeds sprake is van vochtintreding. De kosten voor het opnieuw injecteren van twee wanden worden begroot op € 3.226,66 inclusief btw, en de kosten voor het herstellen van de gevolgschade op € 500,00 inclusief btw.
2.3.
Bij brief van 5 juli 2022 heeft [eisers c.s.] [gedaagde] aangemaand om binnen vier weken de door [D] geconstateerde gebreken te herstellen. [gedaagde] heeft op 8 juli 2022 laten weten dat zij daartoe niet zal overgaan.
2.4.
[eisers c.s.] vordert - samengevat - dat [gedaagde] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld tot betaling van
  • € 3.226,66 aan schadevergoeding;
  • € 447,67 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • € 2.117,50 aan kosten voor het deskundigenonderzoek;
  • de proceskosten.
2.5.
[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
De vordering van [eisers c.s.] zal worden afgewezen. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
3.2.
[eisers c.s.] stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten en verwijst daartoe naar het rapport van [D] . [D] baseert zijn conclusie dat [gedaagde] geen deugdelijk werk heeft geleverd op de aanname dat [eisers c.s.] aan [gedaagde] opdracht heeft verstrekt tot het verhelpen van optrekkend vocht. Dat is echter niet wat partijen zijn overeengekomen. In de offerte staat als omschrijving van de situatie dat de lekkage waarschijnlijk optreedt bij de kimaansluiting. [gedaagde] heeft twee aanbiedingen gedaan, waarvan er voor één door [eisers c.s.] opdracht is gegeven en in de offerte is uitdrukkelijk vermeld dat er geen garantie wordt gegeven. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat hieruit volgt dat tussen partijen niet is afgesproken dat [gedaagde] het vochtprobleem zou herstellen, maar dat alleen is afgesproken dat [gedaagde] de wanden zou injecteren, waarbij niet gegarandeerd kon worden dat dit het vochtprobleem zou verhelpen. Alleen als [gedaagde] de wanden ondeugdelijk zou hebben geïnjecteerd, zou er sprake zijn van een tekortkoming. Dat er ondeugdelijk is geïnjecteerd is niet aangetoond met het rapport van [D] . Partijen zijn het er over eens, en dit blijkt ook uit het rapport van [D] , dat ten tijde van het onderzoek door [D] de kelder droog was en [D] geen vochtintreding heeft geconstateerd. [D] heeft op basis van door [eisers c.s.] verstrekte foto’s geconcludeerd dat er ter plaatse van de door [gedaagde] behandelde muren water tussen de vloer en de wand omhoog stroomt. Die foto’s maken geen onderdeel uit van het rapport. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de foto’s die [D] heeft gezien, niet dezelfde foto’s zijn als die [eisers c.s.] in februari 2022 aan [gedaagde] heeft gestuurd en dat die foto’s ook niet tijdens het onderzoek door [D] samen met partijen zijn bekeken. Omdat de foto’s die [D] heeft bekeken geen onderdeel uitmaken van het rapport en ook in deze zaak niet zijn overgelegd, is onduidelijk waar en op welke wijze het vocht de kelder binnenkomt en of dat het gevolg kan zijn van ondeugdelijk injecteren door [gedaagde] .
3.3.
Omdat de vordering van [eisers c.s.] wordt afgewezen, worden ook de nevenvorderingen (incassokosten en kosten deskundige) afgewezen. Omdat [eisers c.s.] ongelijk krijgt moet hij ook de proceskosten van [gedaagde] betalen. Die kosten worden door de kantonrechter begroot op € 100,00 reis- en verletkosten.
3.4.
[gedaagde] heeft in haar brief die is ingekomen op 15 maart 2023 verzocht om kosten die zij heeft gemaakt door [eisers c.s.] te laten vergoeden. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld deze kosten in reconventie te vorderen, heeft zij dit te laat gedaan. Een eis in reconventie moet direct bij conclusie van antwoord worden ingesteld [1] . Dat betekent dat de kantonrechter over dat verzoek niet kan oordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
wijst de vordering af;
4.2.
veroordeelt [eisers c.s.] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 100,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2023.

Voetnoten

1.Artikel 137 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering