Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €646.000,- per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar baseerde de waarde op het eigen aankoopcijfer van de woning, waarbij de koopovereenkomst op 23 juni 2021 werd gesloten, dicht bij de waardepeildatum.
De rechtbank overwoog dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad het eigen aankoopcijfer in beginsel als marktwaarde geldt, tenzij bijzondere feiten of omstandigheden aannemelijk maken dat de verkoopprijs niet de marktwaarde weerspiegelt. Eiser voerde aan dat de oververhitte woningmarkt de aankoopprijs te hoog maakte, maar dit werd niet als bijzondere omstandigheid erkend.
Verder wees de rechtbank erop dat de vastgestelde WOZ-waarde lager is dan de aankoopprijs van €687.500,-, wat gezien de marktontwikkeling begrijpelijk is. Ook het lagere prijsniveau van andere appartementen in het complex leidde niet tot een ander oordeel, omdat verschillende prijzen op de vrije markt gebruikelijk zijn.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.