Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.VORDERING
3.BEOORDELING VAN DE VORDERING
€ 370.252,72
Rechtbank Midden-Nederland
Veroordeelde is bij vonnis veroordeeld voor het samen met een ander telen van hennepplanten en het medeplegen van stroomdiefstal in de periode van februari 2017 tot oktober 2018. De rechtbank behandelt de ontnemingsvordering van de officier van justitie tot vaststelling en betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De berekening van het voordeel is gebaseerd op een rapport waarin acht oogsten worden meegenomen, rekening houdend met één mislukte oogst. De opbrengsten en kosten per oogst zijn gedetailleerd vastgesteld voor twee kweekruimtes, wat leidt tot een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van €370.252,72. Dit bedrag wordt gelijk verdeeld tussen veroordeelde en haar mededader.
De verdediging betwistte de bewijslast en de periode van ontneming, en stelde schending van de redelijke termijn aan de orde. De rechtbank erkent een overschrijding van vijf dagen, maar ziet geen aanleiding tot matiging van het ontnemingsbedrag vanwege eerdere strafvermindering in de hoofdzaak.
De rechtbank legt veroordeelde een betalingsverplichting van €185.126,36 op aan de Staat en stelt de maximale duur van gijzeling op 1080 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e Sr en volgt uit een zorgvuldige afweging van bewijs, berekeningen en procesrechtelijke waarborgen.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde een ontnemingsmaatregel van €185.126,36 op wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerij en stroomdiefstal.