ECLI:NL:RBMNE:2023:3039

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
22/2925
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep bestuursrechtelijke waardebepaling

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een bestuursrechtelijk besluit over de waardebepaling van een onroerende zaak. Nadat verweerder de waarde op € 423.000,- heeft vastgesteld, heeft verzoeker het beroep ingetrokken en een vergoeding van proceskosten en verschotten gevraagd.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen advocaat of beroepsmatige rechtsbijstandverlener heeft ingeschakeld die kosten in rekening bracht, waardoor vergoeding van proceskosten niet mogelijk is. Daarnaast ontbrak een specificatie van de gevraagde verschotten van € 15,60, zodat ook hiervoor geen vergoeding kan worden toegekend.

Wel is vastgesteld dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan verzoeker moet betalen. Gezien deze omstandigheden wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen; verweerder moet het griffierecht van € 50,- betalen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/2925

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2022 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [plaats], verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 4 juli 2022 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 14 oktober 2022 heeft verweerder medegedeeld de waarde moet worden bepaald op € 423.000,-. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn kosten van een door derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand en verschotten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Door verzoeker is niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker een advocaat of een beroepsmatig rechtsbijstandverlener heeft aan wie hij een vergoeding verschuldigd is voor hulp in deze procedure. De rechtbank stelt vast dat geen van de proceshandelingen in beroep is verricht door een beroepsmatig rechtsbijstandverlener. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat verzoeker in beroep proceskosten heeft gemaakt die op grond van artikel 1 onder Pro a van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.
4. Ten aanzien van de door verzoeker gevraagde vergoeding van verschotten oordeelt de rechtbank dat zij niet kan beoordelen of de gevraagde verschotten van € 15,60 voor vergoeding in aanmerking komen. Verzoeker heeft geen specificatie heeft overgelegd. De rechtbank kan niet beoordelen of deze kosten, op grond van artikel 1 onder Pro f van het Bpb, zijn gemaakt in verband met behandeling van dit beroep.
5. Verweerder moet wel het griffierecht van € 50,- aan verzoeker betalen (artikel 8:41 van Pro de Awb).
6. De rechtbank wijst het verzoek af.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van I.J. Tiktak, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.