ECLI:NL:RBMNE:2023:3044

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 mei 2023
Publicatiedatum
27 juni 2023
Zaaknummer
22/5271
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitspraak over proceskostenvergoeding na intrekking bestuursbesluit

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de verweerder van 4 oktober 2022. Op 16 januari 2023 heeft verweerder het besluit ingetrokken, waarmee aan het verzoek van verzoeker werd voldaan. Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken en een vergoeding van proceskosten gevraagd.

De rechtbank overweegt dat de proceskosten in de bezwaarfase reeds door verweerder zijn toegezegd tot een bedrag van € 1.194,-. De beoordeling van de proceskostenveroordeling richt zich daarom op de beroepsfase. Verweerder heeft geen bezwaar tegen vergoeding van de proceskosten in deze fase.

De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 837,- voor het indienen van het beroepschrift en wijst het verzoek tot vergoeding van de eigen bijdrage af, omdat deze niet onder de proceskosten vallen zoals bedoeld in de Awb en het Bpb. Daarnaast moet verweerder het griffierecht van € 184,- aan verzoeker vergoeden.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 837,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 837,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 mei 2023 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Ben Touhami),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 4 oktober 2022 een besluit genomen. Verzoeker is hiertegen in beroep gegaan. Op 16 januari 2023 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 4 oktober 2022 en dat hij dit besluit intrekt. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
2. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
3. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 16 januari 2023 heeft verweerder toegezegd dat de kosten van de gemachtigde in de bezwaarfase worden vergoed tot een bedrag van € 1.194,-. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
4. Verweerder heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft om de proceskosten in beroep van verzoeker te vergoeden.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 837,- en een wegingsfactor 1).
6. Met betrekking tot het verzoek van verzoeker om vergoeding van de eigen bijdrage oordeelt de rechtbank dat dit verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat deze kosten niet vallen onder de proceskosten zoals genoemd in artikel 8:75 van Pro de Awb, en als bedoeld in het Bpb.
7. Verweerder moet ook het griffierecht van € 184,- aan verzoeker betalen (artikel 8:41 van Pro de Awb).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 837,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van I.J. Tiktak, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.