Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
1.De procedure
- de brief van [eisers c.s.] van 11 mei 2023 met productie 6
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met producties.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers zijn eigenaar van een woning die zij in 2018 van hun zoon en diens ex-partner hebben gekocht. De zoon en gedaagde woonden samen in de woning en betaalden gezamenlijk een bedrag dat overeenkomt met de maandelijkse lasten. Na het beëindigen van de relatie tussen zoon en gedaagde in 2021, bleef gedaagde in de woning wonen en betaalde zij een deel van het bedrag rechtstreeks aan eisers.
Eisers vorderen ontruiming van de woning omdat zij stellen dat gedaagde zonder recht of titel verblijft, aangezien de bruikleenovereenkomst die zij met haar zouden hebben gesloten, is geëindigd. Gedaagde betwist dit en stelt dat sprake is van een huurovereenkomst met huurbescherming.
De rechtbank oordeelt dat tussen eisers en zoon een huurovereenkomst is ontstaan vanwege de vergoeding die rechtstreeks verband houdt met het gebruik van de woning. Voor gedaagde is onvoldoende aannemelijk geworden dat zij medehuurder is of dat een bruikleenovereenkomst met haar rechtsgeldig is geëindigd. De ontruimingsvordering wordt daarom afgewezen. Ook de subsidiaire vordering wegens huurachterstand wordt afgewezen omdat niet is vastgesteld dat een huurovereenkomst met gedaagde bestaat.
Eisers worden veroordeeld in de proceskosten ten gunste van gedaagde, terwijl gedaagde in reconventie wordt veroordeeld in de proceskosten ten gunste van eisers vanwege de ingetrokken eis in reconventie.
Uitkomst: De ontruimingsvordering van eisers wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van beëindiging bruikleenovereenkomst en het ontbreken van bewijs dat gedaagde zonder recht of titel verblijft.