De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van verzoeker tot herziening van een uitspraak van 13 september 2021, waarin het verzet tegen een eerdere niet-ontvankelijkverklaring wegens niet tijdige betaling van griffierecht was afgewezen. Verzoeker stelde dat er nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank oordeelde dat de gemachtigde van verzoeker onvoldoende heeft kunnen aantonen dat hij niet op de hoogte was van het zaaknummer en de zitting, en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die herziening rechtvaardigen. Het verzoek om herziening werd daarom afgewezen.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de rechtbank binnen anderhalf jaar na indiening van het herzieningsverzoek uitspraak heeft gedaan.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter R.C. Stijnen op 7 juni 2023 in Utrecht.