Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.Waar gaat de zaak over?
3.De beoordeling
793,00
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster trad op 1 september 2022 in dienst bij werkgever met een arbeidsduur van 13 uur per week tegen een uurloon van €10,50 bruto. Na ziekmelding op 6 januari 2023 ontving verzoekster over januari en februari geen loon, waarop zij een kort geding startte. Werkgever betaalde het achterstallig loon vlak voor de mondelinge behandeling, maar verscheen niet.
Op 1 april 2023 werd verzoekster op staande voet ontslagen. Zij ontving geen loon over maart 2023, noch vakantiegeld of vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen. In deze procedure vordert zij betaling van deze bedragen, plus transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven omdat werkgever geen dringende reden heeft onderbouwd en het ontslag niet onverwijld is meegedeeld. De loonvorderingen over maart, vakantiebijslag, niet-genoten vakantiedagen, transitievergoeding en schadevergoeding worden toegewezen. Tevens wordt een billijke vergoeding van €10.322,17 bruto toegekend wegens ernstig verwijtbaar handelen van werkgever, mede door het niet naleven van de ontslagvoorschriften en het bestoken van verzoekster met ongefundeerde geldvorderingen.
Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door kantonrechter Vanwersch op 30 juni 2023.
Uitkomst: Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; werkgever veroordeeld tot betaling van loon, vakantiegeld, transitievergoeding, schadevergoeding en billijke vergoeding.