ECLI:NL:RBMNE:2023:327
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Utrecht
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een appartement in Utrecht, vastgesteld op €235.000 per 1 januari 2021. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €200.000 voor. Verweerder, de heffingsambtenaar van de gemeente, handhaaft de vastgestelde waarde en onderbouwt deze met een taxatiematrix en referentiewoningen.
De rechtbank beoordeelt de vergelijkingsmethode en de gehanteerde referentiewoningen als passend en voldoende vergelijkbaar. De verschillen in ligging, oppervlakte en energielabels zijn volgens de rechtbank adequaat verwerkt in de waardebepaling. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat verweerder niet verplicht was eiser te horen omdat geen hoorzitting was aangevraagd, waardoor geen sprake is van bestuurlijke willekeur.
De door eiser aangevoerde argumenten, zoals de vermeende onjuiste woonoppervlakte, verschillen in WOZ-waarden van andere woningen, en de staat van onderhoud van het appartementencomplex, worden door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank concludeert dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €235.000 wordt ongegrond verklaard.