ECLI:NL:RBMNE:2023:3270

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2023
Publicatiedatum
4 juli 2023
Zaaknummer
UTR 23/357
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over niet tijdig beslissen herbeoordeling kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag tot herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag van 4 november 2021. Verweerder heeft de beslistermijn overschreden, wat niet in geschil is tussen partijen. De rechtbank sluit het onderzoek zonder zitting omdat partijen geen gebruik wilden maken van het recht om gehoord te worden.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder alsnog een besluit moet nemen, in principe binnen twee weken na verzending van de uitspraak. Gezien eerdere jurisprudentie wordt een termijn tot 1 juli 2024 gehanteerd voor dit soort zaken, waar in deze zaak niet van wordt afgeweken.

Verder wordt verweerder opgelegd een dwangsom van € 100,- per dag te betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres krijgt een proceskostenvergoeding van € 418,50 en het betaalde griffierecht van € 50,- wordt aan haar vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter M. Eversteijn op 26 juni 2023.

Uitkomst: Verweerder wordt opgedragen uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit te nemen met een dwangsomregeling bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/357

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. S.V. Hendriksen),
En

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. [gemachtigde]).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 4 november 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
Op 23 maart 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Partijen zijn gevraagd of zij gehoord willen worden op een zitting. Geen van partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van dit recht. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan beroep worden ingesteld. [1] Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen. [2]
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling van 5 december 2022, te weten bij brief van 23 januari 2023, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar.
3. Het beroep is kennelijk gegrond.
Verweerder moet alsnog een besluit nemen
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Het bestuursorgaan moet dit in principe doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. [3] In bijzondere gevallen kan de bestuursrechter een andere termijn bepalen. [4]
5. Op 14 april 2023 [5] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank uitspraak gedaan over de termijn waarop verweerder alsnog een besluit bekend moet maken in dit soort zaken. In deze uitspraak heeft de rechtbank uiteen gezet dat zij voortaan als uitgangspunt hanteert dat verweerder een nadere beslistermijn krijgt tot 1 juli 2024. In deze zaak ziet de rechtbank geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Zij verwijst naar de uitspraak van 14 april 2023 voor de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. Dit is het uitgangspunt voor dit soort zaken en de rechtbank ziet geen reden om hier in dit geval van af te wijken.
Bestuurlijke dwangsom
7. Ondanks dat eiseres niet specifiek heeft verzocht om een bestuurlijk dwangsom in haar beroepschrift, leest de rechtbank daar wel in dat op het moment waarop het beroepschrift werd ingediend, nog geen bestuurlijke dwangsom was toegekend. In zijn verweerschrift schrijft verweerder dat (inmiddels) een dwangsombeschikking is genomen op 10 februari 2023, die daarbij is gevoegd als productie 2. In de gevoegde beschikking heeft verweerder de hoogte van de dwangsom vastgesteld tot het maximale bedrag van € 1.442,-. Ondanks dat verweerder daarin verwijst naar de ingebrekestelling van 28 november 2022, die volgens de door eiseres overgelegde stukken ziet op het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de afwijzing lichte toets, omschrijft verweerder wel de aanvraag tot herbeoordeling die op 4 november 2021 door hem is ontvangen en waarvoor de beslistermijn is verstreken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verweerder deze dwangsombeschikking heeft uitgevaardigd naar aanleiding van de ingebrekestelling van 5 december 2022.
Proceskosten en griffierecht
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 418,50.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 418,50;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Hak, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2023.
De griffier is verhinderd deze uitspraak
te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
2.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.