De heffingsambtenaar van de gemeente Veenendaal stelde de WOZ-waarde van de woning van eiser, een penthouse in Veenendaal, vast op €511.000,- voor het belastingjaar 2022 met waardepeildatum 1 januari 2021. Eiser ging hiertegen in bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met drie vergelijkbare penthouses in dezelfde plaats, recent verkocht rond de waardepeildatum. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat de referentiewoningen qua ligging, type en verkoopdatum vergelijkbaar waren en verschillen adequaat waren verwerkt.
Eiser voerde aan dat de waardestijging van 12,3% ten opzichte van het voorgaande jaar onterecht was, en dat de gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat andere penthouses lager waren gewaardeerd. De rechtbank verwierp dit, omdat verschillen in objectkenmerken en waarderingsfactoren verklaarden waarom andere woningen anders waren gewaardeerd. Ook hoefde geen inpandig onderzoek te worden verricht omdat eiser geen concrete aanwijzingen gaf over afwijkingen in onderhoud of voorzieningen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en handhaafde de WOZ-waarde. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.