De zaak betreft een geschil tussen een verzekerde en ASR Schadeverzekering N.V. over het voortzetten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV). De verzekerde had in 2019 een AOV afgesloten, waarbij zij in de aanvraag en gezondheidsvragenlijst meldde dat zij in 2014-2016 arbeidsongeschikt was geweest wegens zwangerschapsgerelateerde klachten. Later bleek dat zij ook tussen januari 2017 en november 2018 een arbeidsongeschiktheidsuitkering had ontvangen vanwege griep- en oververmoeidheidsklachten, wat zij niet had gemeld.
ASR ontdekte deze niet-gemelde arbeidsongeschiktheidsperiode via opgevraagde jaarcijfers en informatie van een andere verzekeraar. Op basis van medische adviezen werd geconcludeerd dat bij kennis van deze feiten de verzekering niet zou zijn afgesloten. ASR beëindigde daarom de verzekering per 11 mei 2021 en vorderde terugbetaling van de uitkeringen.
De verzekerde betwistte de schending van de mededelingsplicht en stelde dat zij de periode wel had gemeld tijdens een telefoongesprek, dat de periode verband hield met zwangerschapsklachten, en dat ASR niet tijdig had gehandeld. De rechtbank oordeelde echter dat de verzekerde de mededelingsplicht had geschonden, dat ASR tijdig had gehandeld en dat de verzekering terecht was opgezegd. De vorderingen van de verzekerde werden afgewezen en de terugvordering van ASR werd toegewezen.
Daarnaast werd de verzekerde veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. A. Wilken en op 19 juli 2023 openbaar uitgesproken.