In deze bestuursrechtelijke procedure heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) zich onbevoegd verklaard om een handhavingsverzoek te behandelen dat betrekking had op het verstrekken van processtukken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aan journalisten. De vraag was of deze verstrekking onder de rechterlijke taak van de Afdeling valt, waardoor de AP geen toezicht kan houden op de verwerking van persoonsgegevens in dat kader.
De rechtbank heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het begrip "rechterlijke taak" in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het Hof heeft geoordeeld dat het tijdelijk ter beschikking stellen van processtukken met persoonsgegevens aan journalisten behoort tot de uitoefening van rechterlijke taken.
Op basis van dit arrest concludeert de rechtbank dat de AP terecht heeft geoordeeld niet bevoegd te zijn om het handhavingsverzoek te behandelen, omdat dit toezicht niet kan worden uitgeoefend op de verwerking van persoonsgegevens door een gerecht bij de uitoefening van zijn rechterlijke taken.
De rechtbank verklaart het beroep van de eiser ongegrond en ziet geen aanleiding tot toewijzing van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland op 9 juni 2023.