ECLI:NL:RBMNE:2023:3550
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op 1 januari 2021
Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €1.110.000,- per 1 januari 2021, en stelde een lagere waarde van €870.000,- voor. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en verklaarde het bezwaar ongegrond. Eiser ging hiertegen in beroep bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De referentiewoningen waren vergelijkbaar qua locatie, bouwjaar en kwaliteit. Eiser voerde onder meer aan dat de woonoppervlakte onjuist was vastgesteld, maar dit werd door de taxateur weerlegd met onderbouwing via luchtfoto’s en gebruiksoppervlakte.
Verder stelde eiser dat de woning met goedkope bouwmaterialen was gebouwd, maar de heffingsambtenaar had dit meegenomen door de kwaliteit op ondergemiddeld te waarderen. De rechtbank vond dit voldoende onderbouwd. Ook de forse stijging van 45% in WOZ-waarde ten opzichte van het voorgaande jaar werd verklaard door het systeem van jaarlijkse waardebepaling en mogelijke eerdere lage waardering.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.110.000,- wordt ongegrond verklaard.