ECLI:NL:RBMNE:2023:3644
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken rechtstreeks belang bij last onder dwangsom
Eiser maakte bezwaar tegen het opleggen van een last onder dwangsom aan de vergunninghouder wegens het uitvoeren van werkzaamheden in afwijking van een omgevingsvergunning. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser niet als belanghebbende kon worden aangemerkt.
Eiser stelde dat hij als aannemer en uitvoerder van het project wel degelijk een belanghebbende was, omdat hij verantwoordelijk was voor de realisatie van het bouwwerk en aansprakelijk kon worden gesteld door de vergunninghouder. De rechtbank oordeelde echter dat het belang van eiser niet rechtstreeks bij het primaire besluit betrokken is, maar slechts voortvloeit uit de civielrechtelijke verhouding met de vergunninghouder.
Daarom is het beroep kennelijk ongegrond en krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
Uitkomst: Het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard omdat eiser geen rechtstreeks belanghebbende is.