Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie;
- de brief van 4 april 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser en gedaagde zijn ondernemingen actief in koeriersdiensten en sloten op 1 april 2022 een overeenkomst waarbij chauffeurs van eiser pakketjes bezorgden voor een klant van gedaagde. Gedaagde zegde de overeenkomst op per 31 juli 2022. Eiser stuurde daarna twee facturen voor juni en juli 2022, die gedaagde niet betaalde. Eiser vorderde betaling van deze facturen, vermeerderd met rente en incassokosten, maar beperkte haar vordering tot € 25.000.
Gedaagde betwistte de verschuldigdheid van de facturen, stelde dat de facturen onjuist waren omdat ook ritten van chauffeurs van gedaagde zelf waren gefactureerd en dat hij teveel had betaald. Hij vorderde in reconventie terugbetaling van het teveel betaalde bedrag.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd welke ritten waren gereden en dat de facturen onduidelijk waren samengesteld, mede omdat het A4-tje waarop een factuur was gebaseerd niet overtuigend was en geen bewijs van betalingsbelofte bevatte. De rechtbank wees de vorderingen grotendeels af, behalve een bedrag van € 498,62 dat gedaagde nog aan eiser verschuldigd was. De vordering van gedaagde in reconventie werd afgewezen. Proceskosten werden grotendeels gecompenseerd.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 573,41 met rente, overige vorderingen worden afgewezen.