De rechtbank Midden-Nederland behandelde een civiele zaak over bestuurdersaansprakelijkheid van de bestuurders van Handelsonderneming B.V. vanwege het stopzetten van de onderneming terwijl er nog baten waren, waaronder een ziekengeldverzekering die salaris van de zieke werknemer deels dekte.
De bestuurders hadden de onderneming geliquideerd zonder voldoende rekening te houden met de belangen van de enige werknemer, die daardoor een onverhaalbare loonvordering hield. De rechtbank stelde vast dat de bestuurders hun verzwaarde betwistplicht niet hadden nageleefd door onvoldoende administratieve stukken te overleggen en dat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar hadden gehandeld door de onderneming leeg te halen en de werkzaamheden deels binnen het concern voort te zetten.
De schadevergoeding werd berekend op basis van het nettoloon dat de werknemer in de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen zou hebben ontvangen, inclusief loonschade over het tweede en derde ziektejaar, een transitievergoeding en rente over een lening die de werknemer moest afsluiten vanwege het inkomensverlies.
De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van het volledige loon vanaf het begin van ziekte en immateriële schade af wegens onvoldoende causaal verband. Tevens werd de eis tot wettelijke verhoging van het loon afgewezen. De bestuurders werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 20.997,52 plus rente en proceskosten, en tot het verstrekken van een correcte jaaropgave over 2021. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.