Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering te beëindigen vanaf 13 juli 2022, omdat zij volgens het UWV haar werk als productiemedewerkster/productieassistent weer kan uitvoeren. Het primaire besluit werd op bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank toetst of de medische rapportages van verzekeringsartsen zorgvuldig, consistent en begrijpelijk zijn en of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat deze beoordeling onjuist is. Eiseres stelt dat haar klachten aan rechterheup, bekken en lies worden onderschat en dat zij dagelijks pijn heeft.
De verzekeringsartsen hebben hun oordeel gemotiveerd met een functionele mogelijkhedenlijst en constateren dat eiseres beperkingen heeft, maar dat zij gemiddeld vier uur per dag en twintig uur per week licht productiewerk kan verrichten. De rechtbank volgt deze uitleg en acht de medische beoordeling juist, mede omdat eiseres geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd.
De rechtbank oordeelt dat de klachten van eiseres niet leiden tot een andere beoordeling en dat herstel en belastbaarheid voldoende zijn vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.
De uitspraak is mondeling gedaan op 3 april 2023 en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.