ECLI:NL:RBMNE:2023:4197
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens niet toelaten assistentiehond in gezondheidscentrum
Eiser bezocht het gezondheidscentrum van gedaagde om een roodlichttherapie te ondergaan, vergezeld van zijn hond die hij als assistentiehond beschouwde. Gedaagde weigerde de hond mee te nemen in de behandelruimte vanwege hygiënische redenen. Eiser stelde dat dit verboden onderscheid was op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) en vorderde een verklaring voor recht en schadevergoeding.
Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde eerder dat de hond niet als assistentiehond kon worden aangemerkt omdat deze niet getraind was bij een instituut. De kantonrechter stelde vast dat gedaagde een legitiem belang had om geen honden toe te laten in de behandelruimte vanwege gezondheidsrisico's voor andere cliënten. Tevens bood gedaagde een doeltreffend alternatief door een medewerker beschikbaar te stellen om op de hond te passen indien vooraf een afspraak werd gemaakt.
Omdat eiser zonder afspraak kwam en gedaagde niet verplicht was om op stel en sprong een medewerker vrij te maken, werd de vordering afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van gedaagde. De overige stellingen behoefden geen bespreking meer.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.