Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding met 12 producties is op 23 november 2022 bij [gedaagde] bezorgd,
- [gedaagde] heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd (conclusie van antwoord). Hij heeft 11 producties bijgevoegd,
- [eiser] heeft op 6 april 2023 de producties 13 t/m 18 nagezonden,
- [eiser] heeft op 11 april 2023 een vervangende productie 16 toegestuurd,
- per e-mail van 19 april 2023 heeft [gedaagde] bezwaar gemaakt tegen die vervangende productie 16 van [eiser] , omdat deze buiten de termijn van artikel 4.4 van het procesreglement en dus te laat zou zijn ingediend,
- de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 april 2023. Van wat er is besproken heeft de griffier aantekening gemaakt. [eiser] heeft zijn oorspronkelijke eis ter zake van achterstallige huur/servicekosten en incassokosten ter zitting verminderd tot de incassokosten. Aan het slot van de zitting is met partijen afgesproken dat partijen uiterlijk op 24 mei 2023 aan de kantonrechter berichten of zij een minnelijke regeling hebben getroffen of dat vonnis moet volgen,
- per e-mail van 5 juni 2023 heeft [eiser] aan de kantonrechter bericht dat geen minnelijke regeling is bereikt en heeft hij gevraagd vonnis te wijzen. De kantonrechter heeft daarna bepaald dat vonnis zal worden gewezen. De vonnisdatum is (nader) bepaald op vandaag.
2. De feiten
3.De vordering en het verweer
4.De beoordeling
Overeengekomen bestemming en gemeentelijke vergunningen
Premie opstalverzekering
Herstel vooraanzicht
Het niet tijdig voldoen van de huur en voorschot servicekosten
Niet meewerken aan herstel elektrische installaties
hijde plafondplaten zou verwijderen voordat de elektricien aan de slag zou gaan. Hij kon daarom niet volstaan met het verstrekken van de sleutels en de alarmcode van de bedrijfsruimte. Verder heeft hij niet betwist dat hij in augustus 2022 met vakantie was, terwijl de herhaalde verzoeken van [eiser] om medewerking zijn gedaan in september/oktober 2022 (productie 17 van [eiser] ). Uit de overgelegde WhatsApp-berichten, waarin [eiser] vraagt of de elektricien op 17 oktober aan de slag kan, blijkt dat [gedaagde] deze gelezen heeft (de vinkjes zijn blauw). [gedaagde] heeft niet betwist dat hij op die WhatsApp-berichten niet heeft gereageerd. Uit diezelfde productie 17 blijkt dat [gedaagde] eerder wel op een WhatsApp-bericht van [eiser] heeft gereageerd. Zijn stelling dat hij niet heeft gereageerd omdat hij niet gewend is te communiceren via WhatsApp, is mede daarom niet geloofwaardig. [gedaagde] heeft kennelijk een WhatsApp account en [eiser] mocht daarom verwachten dat hij weet om te gaan met WhatsApp en dat hij zijn berichten regelmatig bekijkt. Bovendien heeft [gedaagde] niet betwist dat [eiser] hem in die periode herhaaldelijk telefonisch heeft geprobeerd te bereiken maar dat hij [eiser] niet heeft teruggebeld. [gedaagde] kan niet van [eiser] vragen dat hij langskomt in het café elke keer dat hij iets aan [gedaagde] wil vragen of meedelen. [gedaagde] heeft zich in de betreffende periode onbereikbaar gehouden voor [eiser] , met als gevolg dat de voor 17 oktober 2022 geplande werkzaamheden aan de elektra niet verricht konden worden.
31 oktober 2022, in reactie op de aanmaning van de gemachtigde van [eiser] van 11 oktober 2022, te kennen heeft gegeven dat er vermoedelijk sprake is geweest van een miscommunicatie tussen [gedaagde] en [eiser] en dat de installateur (bedoeld is kennelijk: de elektricien) wat [gedaagde] betreft
elke gewenste dagkan starten met de werkzaamheden, met daarbij het verzoek om één dag van tevoren aan [gedaagde] mee te delen wanneer de installateur start (productie 12 dagvaarding). Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] na ontvangst van dat bericht nog het initiatief heeft genomen om een elektricien in te schakelen voor de werkzaamheden aan de elektra en dat hij in dat kader aan [gedaagde] een bepaalde datum heeft doorgegeven waarop de elektricien aan de slag zal gaan. Ook heeft [eiser] het kennelijk niet nodig gevonden om in deze procedure te vorderen dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om per direct medewerking te verlenen aan de herstelwerkzaamheden aan de elektra. Dit alles valt niet te rijmen met zijn stelling dat [gedaagde] weigert medewerking te verlenen aan de herstelwerkzaamheden, waardoor het pand onverzekerd is gebleven. De conclusie moet dan ook zijn dat er weliswaar sprake is van een tekortkoming van [gedaagde] , omdat hij zich in de periode september/oktober 2022 via WhatsApp en telefonisch onbereikbaar heeft gehouden voor [eiser] , maar dat deze tekortkoming niet zo ernstig is dat deze de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen kan rechtvaardigen.
Ernstige vervuiling
en incassokosten”. Een specificatie van dat bedrag ontbreekt. Onder III. van het petitum is dat bedrag van € 1.976,53 vermeld met als omschrijving “achterstallige huurpenningen en voorschotten energie”, dus
zonderverwijzing naar incassokosten. Mede gelet op de toelichting van [eiser] ter zitting moet er daarom vanuit worden gegaan dat het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 1.976,53, dat [gedaagde] inmiddels heeft betaald,
geenbetrekking heeft op incassokosten. In het petitum zijn de buitengerechtelijke incassokosten ook niet separaat gevorderd. De kantonrechter kan daarom niet beslissen over de door [eiser] gewenste vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, volgens het overzicht van de vervangende productie 16 een bedrag van € 441,05.