ECLI:NL:RBMNE:2023:4309

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juli 2023
Publicatiedatum
18 augustus 2023
Zaaknummer
10451799 UC 23-2616
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting voor digitale advertentiediensten ondanks coronacrisis

In deze civiele procedure vordert eiseres betaling van openstaande facturen voor digitale advertentiediensten die zij aan gedaagde heeft geleverd. Gedaagde erkent de overeenkomsten en de hoogte van de facturen, maar beroept zich op de coronacrisis en financiële problemen om betaling uit te stellen.

De kantonrechter stelt vast dat eiseres de diensten heeft geleverd en dat de coronacrisis geen grond is om de betalingsverplichting op te schorten. Eiseres heeft bovendien flexibiliteit getoond door een wijziging in de advertentieplaatsing toe te staan en geen betaling tijdens lockdowns te eisen.

Gedaagde heeft onvoldoende onderbouwd dat zij niet alle aanmaningen heeft ontvangen, mede omdat betalingsverzoeken ook via WhatsApp zijn gedaan. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom toegewezen.

De kantonrechter wijst het verzoek van gedaagde voor een betalingsregeling af, omdat dit een zaak is tussen partijen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke handelsrente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van openstaande facturen, incassokosten en wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10451799 UC 23-2616
Vonnis van 19 juli 2023
Inzake
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.
handelend onder de naam [handelsnaam 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: ‘ [eiseres] ’,
eisende partij,
gemachtigde: Armeare Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,
tegen:
[gedaagde],
handelend onder de naam [handelsnaam 2] ,
wonende en zaakdoende te [plaats] ,
verder ook te noemen: ‘ [gedaagde] ’,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, uitgebracht op 29 maart 2023;
- de reactie van [A] namens [gedaagde] (conclusie van antwoord), ontvangen op 12
mei 2023;
- de akte overleggen producties van [eiseres] , ontvangen op 15 juni 2023.
1.2.
Op 30 juni 2023 is een mondelinge behandeling gehouden in deze procedure. Namens [eiseres] zijn verschenen mevrouw [B] , financieel administrateur werkzaam bij [eiseres] en de heer mr. B.E. Jager, werkzaam bij Armeare Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders. Aan de kant van [gedaagde] is niemand verschenen. Mevrouw [B] en de heer Jager hebben de standpunten van [eiseres] toegelicht en hebben antwoord gegeven op de vragen van de kantonrechter. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag het vonnis in deze zaak wordt uitgesproken.

2.Wat is er gebeurd?

2.1.
[gedaagde] heeft voor haar massagepraktijk in september 2021 en november 2021 een tweetal overeenkomsten met [eiseres] gesloten, voor het plaatsen van digitale advertenties (banners) en een nieuwsartikel over haar product (branded content) op websites met voornamelijk lokaal (gemeentelijk dan wel regionaal) nieuws.
2.2.
De kosten voor de plaatsing voor één maand van de branded content bedroeg
€ 605,00 inclusief btw. De kosten voor het plaatsen van de banners bedroeg € 217,80 per maand inclusief btw, voor een duur van 12 maanden.
2.3.
Partijen hebben een geschil gekregen over de betaling van de facturen.

3.Wat wil [eiseres] en wat vindt [gedaagde] ervan?

3.1.
[eiseres] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] om aan haar te betalen € 3.654,54, bestaande uit € 3.000,80 aan onbetaalde facturen, € 425,08 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 226,66 aan verschenen wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 29 maart 2023 tot de voldoening en betaling van de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vordering heeft [eiseres] gesteld dat [gedaagde] jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de plaatsings-overeenkomsten die tussen hen gesloten zijn, door 11 maandelijkse facturen van elk
€ 217,80 en de eenmalige factuur van € 605,00 ter zake de branded content onbetaald te laten. Verder heeft [eiseres] gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, omdat zij pogingen heeft gedaan de vordering buiten rechte betaald te krijgen.
3.3.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat haar bedrijf last heeft gehad van de coronacrisis en de beperkingen die de overheid daarbij heeft opgelegd. Haar bedrijf had veel uitgaven, maar geen inkomsten. [gedaagde] heeft gesteld dat momenteel diverse afbetalings-regelingen lopen bij diverse instanties. Verder heeft [gedaagde] het niet gewaardeerd dat [eiseres] niet mee heeft gewerkt aan haar verzoek om de advertentiecampagne op te schuiven en dat adverteren in deze crisis geen of weinig zin heeft als er niets mag of kan in Nederland. Tot slot heeft [gedaagde] gesteld dat niet alle sommaties haar bereikt hebben en dat pogingen om [eiseres] telefonisch te bereiken niet succesvol waren.
3.4. Op de mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat zij zich wél flexibel heeft opgesteld. Zij heeft immers op verzoek van [gedaagde] een wijziging voor het brandend content artikel doorgevoerd, zodat de plaatsing ten behoeve van regio Noord-Brabant kwam in plaats van Noord-Holland. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] niet heeft gevraagd om verschuiving van de reguliere advertenties (de banners) en dat [eiseres] daar gebruikelijk wel aan zou hebben meegewerkt. [eiseres] heeft verder niet aangedrongen op betaling gedurende de lockdowns, zodat [gedaagde] de kans had om weer geld te verdienen. [eiseres] heeft bij haar akte overleggen producties aanvullende sommaties in het geding gebracht, betreffende betalingsverzoeken via WhatsApp.
3.5.
[gedaagde] heeft vervolgens niet meer gereageerd op de stellingen van [eiseres] .

4.Wat vindt de kantonrechter ervan?

4.1.
[gedaagde] heeft de gesloten overeenkomsten erkend en heeft de hoogte van de gevorderde bedragen niet betwist. [eiseres] heeft de door [gedaagde] gevraagde diensten uitgevoerd – dat deze advertentiediensten mogelijk niet effectief waren tijdens de lockdowns doet daar niet aan af. De kantonrechter overweegt dat niet weersproken is dat [eiseres] [gedaagde] flexibiliteit heeft geboden door haar betalingsuitstel en wijziging van advertentiemogelijkheden te verlenen.De vordering van [eiseres] met betrekking tot de openstaande facturen wordt daarom toegewezen.
4.2.
Omdat [gedaagde] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan en ook heeft laten voortduren, is zij de gevorderde wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verschuldigd. [gedaagde] moet ook deze handelsrente betalen over de hoofdsom van € 3.000,80 vanaf 29 maart 2023 tot de voldoening.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat het
Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten(hierna: ‘het Besluit’) van toepassing is, nu het verzuim na 30 juni 2012 is ingetreden. [gedaagde] heeft niet als consument, maar beroeps- of bedrijfsmatig gehandeld. Een aanmaning als bedoeld in artikel 6:96, zesde lid, BW (ook wel een ‘veertiendagenbrief’ genoemd) is in dat geval niet vereist om aanspraak te kunnen maken op de buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal daarom het verweer van [gedaagde] dat zij niet alle aanmaningen heeft ontvangen, passeren. Bovendien blijkt uit productie 6 van de door [eiseres] overgelegde akte dat [gedaagde] ook door middel van WhatsApp berichten is aangesproken op betaling. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 425,08 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.
4.4.
De kantonrechter overweegt dat de door [gedaagde] gestelde financiële omstandigheden geen overmacht opleveren en haar niet ontslaan van de verplichting om de door haar afgenomen diensten te betalen. Voor zover de kantonrechter de stellingen van [gedaagde] moet interpreteren als een verzoek voor een betalingsregeling, overweegt de kantonrechter als volgt. Het treffen van een betalingsregeling is een zaak van partijen onderling. Voor het treffen van een betalingsregeling moet [gedaagde] zich tot (de gemachtigde van) [eiseres] wenden. Het is niet aan de kantonrechter om hierover te beslissen.
De proceskosten
4.5.
[gedaagde] moet ook de proceskosten van [eiseres] vergoeden, omdat zij ongelijk
krijgt. De proceskosten worden begroot op:
- dagvaarding € 110,55
- griffierecht € 487,00
- salaris gemachtigde
€ 464,00(2 punten x tarief € 232,00)
Totaal € 1.061,55.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.654,54, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.000,80 vanaf 29 maart 2023 tot de voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.061,55, waarin begrepen € 464,00 aan salaris gemachtigde.
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2023.