ECLI:NL:RBMNE:2023:4553

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 september 2023
Publicatiedatum
6 september 2023
Zaaknummer
16/140154-19 (P)
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 225 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot werkstraf voor valsheid in geschrift met afwijzing schadevordering benadeelde partij

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 6 september 2023 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van valsheid in geschrift. Het ten laste gelegde feit betrof het opmaken van een vervalste brief uit naam van een financieel adviseur bij een bank, met als doel deze als bewijsstuk in een civiele procedure te gebruiken.

Verdachte heeft bekend de brief te hebben opgemaakt rond 11 tot 20 december 2016. De rechtbank achtte het bewijs, waaronder de bekentenis, voldoende om het feit wettig en overtuigend bewezen te verklaren. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat de pleegperiode korter was.

De rechtbank oordeelde dat het feit strafbaar is en verdachte strafbaar is. Gelet op de ernst, de berekenende handelswijze en het misbruik van functie binnen de bank, maar ook rekening houdend met het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, legde de rechtbank een werkstraf van 60 uur op, met een vervangende hechtenis van 30 dagen.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van ruim €258.000, maar de rechtbank wees deze vordering af omdat niet aannemelijk was dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De kosten van de benadeelde partij werden tot op heden begroot op nihil en aan verdachte opgelegd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 60 uur werkstraf voor valsheid in geschrift; schadevordering benadeelde partij afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/140154-19 (P)
Vonnis van de meervoudige kamer van 6 september 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [1978] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] (Noord-Holland),
hierna te noemen: verdachte.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. M.M.L. Kalsbeek en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden, naar voren hebben gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen mr. R.E.P. de Koning, advocaat te Veenendaal, namens de benadeelde partij [benadeelde] naar voren heeft gebracht.

2.TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
in de periode van 11 december 2016 tot en met 15 november 2017 te Bussum, een brief, die bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die brief als echt en onvervalst te gebruiken.

3.VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen omdat verdachte (ook) ter zitting heeft bekend dat hij de brief heeft opgemaakt uit naam van de heer [naam] en deze in de civiele procedure tegen de benadeelde partij heeft ingebracht.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit omdat onduidelijk is gebleven op welk moment precies de brief door verdachte is opgemaakt. Volgens de raadsman geldt in ieder geval een kortere pleegperiode dan de ten laste gelegde periode, nu de vervalste brief vóór 20 december 2016 in de civiele procedure is ingebracht.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Het feit is door verdachte begaan. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit bekend. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 23 augustus 2023;
  • een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens [bank] van 3 april 2018, genummerd PL0900-2018091907-1, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland met als bijlage een brief van 10 november 2017 van [aangever] over de aangifte, doorgenummerde pagina’s 23 - 31.
Bewijsoverweging
Verdachte heeft het feit bij de politie en ter terechtzitting bekend. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de brief ongeveer twee of drie dagen voor 15 december 2016 (de dagtekening van de brief) heeft gemaakt. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de pleegperiode omstreeks 11 december 2016 aanvangt. De rechtbank is van oordeel dat de pleegperiode 20 december 2016 eindigt, omdat aannemelijk is geworden dat verdachte de vervalste brief vóór 20 december 2016 bij conclusie van antwoord heeft overgelegd.

5.BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
omstreeks de periode van 11 december 2016 tot en met 20 december 2016 te Bussum, gemeente Gooise Meren een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de brief inzake ‘Ons gesprek t.b.v. uw hypotheekvragen’ van [bank] d.d. 15 december 2016 valselijk heeft opgemaakt, door bovengenoemde brief uit naam van dhr. [naam] , Financieel Adviseur Particulieren bij [bank] , op te stellen en te ondertekenen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:
valsheid in geschrift

7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.OPLEGGING VAN STRAF

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, indien niet of niet naar behoren verricht, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, onder meer omdat de redelijke termijn in deze strafzaak ruim is overschreden en omdat verdachte al veel gevolgen van het bewezenverklaarde heeft ondervonden.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft, terwijl hij in dienst was van de [bank] een valse brief opgemaakt met een briefhoofd van de [bank] en uit naam van een collega. Verdachte heeft de naam van deze collega opgezocht in de interne systemen van de [bank] en heeft diens handtekening vervalst. Bovendien heeft verdachte de vervalste brief aan zijn civiele advocaat gegeven om deze als bewijsstuk in te brengen in een civiele procedure om daarmee zijn eigen procespositie proberen te versterken. Die procedure ging om een aanzienlijk financieel belang, met name een contractuele boete van € 160.000,--.
Verdachte is door deze handelswijze, bestaande uit verschillende stappen en beslismomenten, berekenend te werk gegaan. Daarbij heeft hij misbruik gemaakt van zijn functie binnen de [bank] . De rechtbank neemt de verdachte dit in het bijzonder kwalijk.
Vertrekpunten
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Bijvoorbeeld voor valsheid in geschrift voor hypotheekfraude worden vaak aanzienlijke werkstraffen opgelegd.
Persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook gekeken naar het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte van 19 juli 2023, waaruit volgt dat verdachte in Nederland niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in het voordeel of nadeel van verdachte mee.
Redelijke termijn
Ondanks dat het bewezenverklaarde in 2016 heeft plaatsgevonden, is de rechtbank – anders dan de raadsman – van oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Voor wat betreft de duur van de termijn geldt met betrekking tot de behandeling van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de termijn.
Verdachte is op 11 juni 2019 als verdachte gehoord en is na het verhoor heengezonden. Door de raadsman zijn geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat het eerste verhoor in dit geval als begin van strafvervolging moet worden aangemerkt. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank ook niet gebleken. De rechtbank stelt vast dat de eerste vervolgingshandeling op 20 februari 2023 heeft plaatsgevonden omdat op die datum door het openbaar ministerie een brief aan verdachte is verzonden waarin staat dat hij voor het bewezenverklaarde feit zal worden vervolgd. Dat betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden.
De straf
Ondanks dat de redelijke termijn niet is overschreden, houdt de rechtbank in strafmatigende zin wel rekening met het aanzienlijke tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde feit in 2016. Ook houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de gevolgen die het bewezenverklaarde reeds voor verdachte heeft gehad. Verder heeft verdachte zijn leven op dit moment goed op orde, hij heeft werk en een woning.
Gelet op de berekenende handelswijze van verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een onvoorwaardelijke werkstraf moet worden opgelegd.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 60 uren, bij niet (naar behoren) verrichten te vervangen door 30 dagen hechtenis, passend en geboden is.

9.BENADEELDE PARTIJ

9.1
De vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 258.974,76, bestaande uit materiële schade. De benadeelde partij heeft verzocht dit bedrag toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van € 80.274,59 aan proceskosten.
9.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen nu de gevorderde bedragen reeds in een civiele procedure zijn gevorderd en zijn toegewezen. De grondslag voor toewijzing van de vordering in het strafproces ontbreekt.
9.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, subsidiair de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De vordering is reeds in een civiele procedure toegewezen. De benadeelde partij dient zijn vordering via de civiele weg te incasseren, hij dient dit niet af te dwingen via dit strafproces. Daarnaast ontbreekt het causaal verband tussen de gestelde schade en de valse brief.
9.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] afwijzen omdat niet aannemelijk is dat de gevorderde schade rechtstreekse schade is als gevolg van het bewezenverklaarde feit (valsheid in geschrifte).
Omdat de vordering van de benadeelde partij wordt afgewezen, zal de benadeelde partij in de kosten van verdachte worden veroordeeld. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.

10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11.BESLISSING

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;
- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;
- verklaart verdachte strafbaar;
Oplegging straf
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 60 uren;
- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen hechtenis;
Benadeelde partij
  • wijst de vordering van [benadeelde] af;
  • veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door H.C. Piet, voorzitter, mrs. L.M.G. de Weerd en F.H. Schormans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Emsbroek, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 september 2023.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 11 december 2016 tot en met 15 november 2017 te Bussum, gemeente Gooise Meren, in elk geval in Nederland, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten de brief inzake ‘Ons gesprek t.b.v. uw hypotheekvragen’ van [bank] d.d. 15 december 2016 (vindplaats dossier: pagina’s 16 en 22) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door bovengenoemde brief uit naam van dhr. [naam] , Financieel Adviseur Particulieren bij [bank] , op te stellen en/of te ondertekenen, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken