De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een psychiatrische stoornis, waaronder hoarding en mogelijk een psychotische stoornis. Betrokkene was niet aanwezig bij de zitting en had zich aan toezicht onttrokken.
De psychiater stelde dat medicamenteuze behandeling noodzakelijk is, maar dat opname niet per se vereist is indien ambulante zorg wordt geaccepteerd. De staat van de woning, die mogelijk brand- en instortingsgevaar oplevert, werd onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens zoals bouwkundige rapporten of financiële informatie.
De rechtbank constateerde dat het ernstig nadeel niet overtuigend was aangetoond en dat alternatieve bestuursrechtelijke maatregelen voorhanden zijn. Tevens ontbrak het aan een duidelijk oorzakelijk verband tussen de stoornis en het vermeende nadeel. Gezien de grote inbreuk die verplichte zorg inhoudt en het ontbreken van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, wees de rechtbank het resterende deel van het verzoek af.