In 2020 werden bij diverse districtsvergaderingen binnen de Judobond leden van de Bondsraad ontslagen. Eisers vorderden vernietiging van deze besluiten omdat de besluitvorming niet volgens de reglementaire procedures was verlopen. De rechtbank oordeelde dat de ontslagbesluiten onzorgvuldig waren genomen, onder meer doordat moties van wantrouwen niet vooraf aan de vergadering bekend waren gemaakt, waardoor de betrokken bondsraadsleden onvoldoende gelegenheid hadden zich voor te bereiden of te verweren.
De rechtbank stelde vast dat de agenda en vergaderstukken te laat waren verstrekt en dat het districtsbestuur wist van de moties maar deze informatie niet deelde met de betrokken leden. Ook werd een open brief van een groep genaamd 'JBN Belang' verspreid die opriep tot actie tegen kritische bondsraadsleden, wat de sfeer binnen de vereniging negatief beïnvloedde. De rechtbank vond dat JBN onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte en dat er geen dringend belang was om van de reglementaire procedure af te wijken.
De benoeming van een interim-voorzitter tijdens een districtsvergadering werd niet vernietigd omdat eisers onvoldoende belang hadden bij die vordering. Ook werden verklaringen voor recht deels toegewezen en deels afgewezen, waarbij de rechtbank onder meer bevestigde dat bondsraadsleden alleen op de jaarlijkse districtsvergadering mogen worden verkozen tenzij een reglementaire grond bestaat om daarvan af te wijken.
De rechtbank veroordeelde JBN tot betaling van proceskosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.