Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
De heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
28 oktober 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd.
Overwegingen
31 mei 2023. Op 1 juni 2023 is het verweerschrift naar het kantoor van de gemachtigde van eiser toegestuurd. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2023. Het verweerschrift is 26 dagen voor de zitting ingediend. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om van het verweerschrift kennis te nemen en daarop (tijdens de zitting) te reageren. Op de zitting heeft eiser zijn standpunten over het verweerschrift naar voren gebracht. Daarbij komt dat het verweerschrift als nader stuk in ieder geval vóór de in artikel 8:58 Awb Pro genoemde termijn van tien dagen is ontvangen. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat er sprake is van een afbreuk aan het beginsel van gelijkwaardigheid van partijen of de goede procesorde. Het verweerschrift kan daarom worden betrokken bij de beoordeling van het geschil.
- [adres 2] , verkocht op 1 mei 2020 voor € 388.000,-.
- [adres 3] , verkocht op 16 mei 2020 voor € 397.500,-.
- [adres 4] , verkocht op 2 augustus 2021 voor € 485.000,-.
- Taxatieverslag (en eventuele taxatie kaarten);
- KOUDVL/VLOK/KWALUX factoren (of vergelijkbaar);
- Grondstaffels;
- Overige gebruikte of ter beschikking gestelde stukken;
- Gesplitste opstalwaarde en/of grondwaarde;
- Prijs per eenheid van het object en de referenties.
In de toelichting bij het Bpb staat dat het gewicht van een zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. Het werd niet wenselijk geacht om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. Het opnemen van wegingsfactoren in onderdeel C1 van het Bpb berust volgens de toelichting op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 837,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden.
mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
12 september 2023.