De zaak betreft een kort geding tussen twee verhuurders en een huurder van bedrijfsruimten met een aanzienlijke huurachterstand van ruim €350.000,-. De huurder is sinds 2021 een betalingsregeling niet nagekomen. Daarnaast is er sprake van een brandgevaarlijke situatie in een van de panden, waardoor de verzekeraar de polis per 1 januari 2024 zal opzeggen.
De verhuurders vorderen ontruiming van de bedrijfsruimten, betaling van de huurachterstand, contractuele boetes en buitengerechtelijke incassokosten. De voorzieningenrechter stelt vast dat de huurachterstand de gebruikelijke termijn van drie maanden ruim overschrijdt en dat de huurder onvoldoende concreet heeft gemaakt dat de achterstand spoedig kan worden ingelopen. Verweren over mogelijke investeringen en leningen zijn te onzeker en niet concreet.
De rechter wijst de ontruiming toe met een termijn tot uiterlijk 31 december 2023, waarbij een kortere termijn onredelijk zou zijn vanwege de bedrijfsvoering en de lopende (vertraging in) huurbetaling. De machtiging om zelf te ontruimen wordt afgewezen, omdat ontruiming wettelijk via een deurwaarder moet verlopen. Daarnaast worden de gevorderde huurachterstanden, boetes en buitengerechtelijke incassokosten grotendeels toegewezen, en wordt de huurder veroordeeld tot betaling van proceskosten.