In deze kortgedingprocedure vordert een sekswerker, met een eenmanszaak, opheffing van blokkades op haar bankrekeningen bij Rabobank, verwijdering van haar gegevens uit diverse registers en voortzetting van de zakelijke bankrelatie. Dit naar aanleiding van een melding van fraude door ING, die leidde tot blokkering van haar rekeningen en opname in het Incidentenregister, het Extern Verwijzingsregister en het Intern Verwijzingsregister.
De Rabobank beëindigde de bankrelatie per 2 oktober 2023 en handhaafde de blokkades vanwege de ernst van de fraudeaangifte en haar wettelijke verplichtingen onder de Wft en Wwft. De voorzieningenrechter oordeelde dat de Rabobank gerechtvaardigd was in haar handelen en dat de opzegging niet onaanvaardbaar was. Hoewel de eiser een spoedeisend belang had bij toegang tot haar geld, was het belang van de bank om haar integriteit te waarborgen zwaarder.
De eiser kon aantonen dat zij toegang had tot een betaalrekening bij ING, waardoor haar spoedeisend belang was verminderd. Ook was onvoldoende gebleken dat zij zonder de zakelijke rekening bij Rabobank haar werkzaamheden niet kon voortzetten. De vorderingen werden daarom afgewezen en de eiser werd veroordeeld in de proceskosten.