ECLI:NL:RBMNE:2023:518
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering Verklaring Omtrent het Gedrag na veroordeling mensenhandel
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) door de minister voor Rechtsbescherming. De minister had de aanvraag geweigerd vanwege een veroordeling voor mensenhandel en medeplegen van valsheid in geschrifte, hoewel abusievelijk werd aangenomen dat het om een zedendelict ging.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker onterecht als veroordeeld voor een zedendelict werd beschouwd, maar dat dit geen invloed heeft op het oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De minister heeft het objectieve criterium toegepast en geoordeeld dat de veroordeling binnen de terugkijktermijn valt en relevante feiten betreft die een risico vormen voor de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.
Verzoekers persoonlijke belangen bij het verkrijgen van de VOG, zoals het kunnen afronden van zijn stage en opleiding, wegen volgens de voorzieningenrechter niet op tegen het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, waardoor verzoeker voorlopig geen VOG ontvangt.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter B. Fijnheer en griffier M.L. Bressers op 10 januari 2023. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van de VOG wordt afgewezen, waardoor verzoeker voorlopig geen VOG ontvangt.