De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het vervaardigen, verspreiden en medeplichtigheid aan valsmunterij in de periode van juli tot november 2021 in Almere en IJmuiden. Verdachte zou samen met anderen valse bankbiljetten van 20 en 50 euro hebben nagemaakt en verspreid, en deelgenomen hebben aan een criminele organisatie gericht op deze activiteiten.
Tijdens de terechtzittingen en het onderzoek kwam naar voren dat verdachte voornamelijk pakketjes met inktcartridges en printpapier ophaalde voor een medeverdachte, zonder dat bewezen kon worden dat hij wist dat deze goederen bestemd waren voor het maken van vals geld. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van een gezamenlijke uitvoering of voldoende nauwe samenwerking voor medeplegen, en dat het vereiste dubbele opzet voor medeplichtigheid ontbrak.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist van het criminele oogmerk en slechts als loopjongen fungeerde. De rechtbank volgde dit standpunt en sprak verdachte vrij van alle feiten. Tevens werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke taakstraf afgewezen, en het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.