ECLI:NL:RBMNE:2023:521

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
UTR 22/3924
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging betalingsregeling wegens schending hoorplicht met instandhouding rechtsgevolgen

Eiseres maakte bezwaar tegen een persoonlijke betalingsregeling die de Belastingdienst had vastgesteld voor terugvorderingen van huur- en zorgtoeslag. De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst de hoorplicht heeft geschonden, omdat eiseres niet formeel is gehoord over relevante terugvorderingen uit 2021 die van invloed konden zijn op haar betalingscapaciteit.

Hoewel er telefonisch contact was geweest over een andere procedure, was er geen hoorgesprek als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb. De rechtbank acht de schending van de hoorplicht niet onschadelijk en vernietigt het bestreden besluit. Echter, de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat ook bij correct horen en meenemen van de terugvorderingen het resultaat hetzelfde zou zijn geweest.

De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres, omdat het beroep gegrond is verklaard. De betalingsregeling blijft ongewijzigd, maar de procedurele tekortkoming is erkend en gecorrigeerd.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; proceskosten worden aan eiseres vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3924

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. T. Khidous),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [A] en [B] ).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van een persoonlijke betalingsregeling.
Verweerder heeft met het besluit van 10 december 2021 een persoonlijke betalingsregeling vastgesteld, inhoudende 24 gelijke maandelijkse termijnen van € 198,-. Met het bestreden besluit van 28 juli 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dit besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Eiseres is niet op zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Eiseres heeft gevraagd om een persoonlijke betalingsregeling in verband met teruggevorderde huurtoeslag over 2019 en 2020 en zorgtoeslag over 2020. Het totale bedrag dat eiseres moet terugbetalen bedraagt € 4.735,- Bij het besluit van 28 juli 2022 heeft verweerder op basis van de financiële situatie van eiseres ten tijde van dat besluit de betalingscapaciteit (opnieuw) berekend op € 881,- en de opeisbare betalingscapaciteit op € 705,-. Die betalingscapaciteit is volgens verweerder voldoende om de totale schuld binnen de standaardbetalingsregeling van 24 maanden te voldoen.
Eiseres voert aan dat verweerder bij de berekening van de betalingscapaciteit ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de terugvorderingen huur- en zorgtoeslag over 2021. Verder voert zij aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten haar te horen in de bezwaarfase.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar de laatste vervaldag nog niet was verlopen. Eiseres had nog tot 26 augustus 2022 te tijd om deze terugvorderingen te betalen. Daarnaast doet het feit dat deze terugvorderingen niet zijn meegenomen in de betalingsregeling niets af aan de berekening van de betalingscapaciteit en het uiteindelijk te betalen bedrag. Over het horen stelt verweerder zich op het standpunt dat er in de bezwaarfase op 31 januari 2022, 7 april 2022 en 12 juli 2022 telefonisch contact is geweest, waarbij eiseres en haar gemachtigde voldoende gelegenheid hebben gekregen om het bezwaarschrift toe te lichten. Eiseres is dus niet benadeeld door het feit dat er geen formeel hoorgesprek heeft plaatsgevonden. Verweerder verwijst naar de uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 31 december 2020 [1] en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2015 [2] , waarin de schending van de hoorplicht is gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. De rechtbank is het met eiseres eens dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Het horen van een bezwaarmaker vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarfase. Partijen zijn het erover eens dat er geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 7:2 van Pro de Awb. Er is tussen de gemachtigde van eiseres en verweerder enkele malen telefonisch contact geweest in de bezwaarfase, maar eiseres heeft onbestreden gesteld dat dit contact zich beperkte tot de (uitkomst van een) procedure over een inkomstenbelastingschuld, die relevant was voor de berekening van de betalingscapaciteit. Uit de stukken blijkt dit ook. Verder heeft eiseres expliciet aangegeven te willen worden gehoord. Daar komt nog bij dat in de bezwaarfase terugvorderingen van huur- en zorgtoeslag over 2021 bekend werden. Deze terugvorderingen zijn mogelijk relevant voor de berekening van de betalingscapaciteit en op zitting heeft verweerder gezegd dat deze terugvorderingen ook mee hadden kunnen worden genomen in deze procedure als eiseres daarom had gevraagd. Verweerder had eiseres daarom in de gelegenheid moeten stellen om daarover te worden gehoord.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek in het bestreden besluit te passeren onder toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Alleen als aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld, is toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb mogelijk. De rechtbank vindt dit niet aannemelijk. Eiseres is door de schending van de hoorplicht benadeeld. De beroepsgronden van eiseres slagen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:2 van Pro de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat gebleken is dat ook als verweerder eiseres wel had gehoord en de terugvorderingen huur- en zorgtoeslag over 2021 had betrokken bij de beoordeling in het bestreden besluit dit niet tot een ander resultaat had geleid. Ook in dat geval was haar betalingscapaciteit voldoende om de totale schuld binnen de standaardbetalingsregeling van 24 maanden te voldoen. Dat betekent dat de betalingsregeling voor eiseres door deze uitspraak niet verandert.
7. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 28 juli 2022;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.