De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 11 oktober 2023 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige op 23 oktober 2019 in Hoogeveen. De officier van justitie stelde dat de aangifte van het slachtoffer voldoende werd ondersteund door getuigenverklaringen, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.
De rechtbank oordeelde dat in zedenzaken het wettelijk bewijsminimum vereist dat de verklaring van het slachtoffer wordt ondersteund door onafhankelijk bewijs uit een andere bron. De verklaringen van de moeder van het slachtoffer en een andere getuige konden niet als onafhankelijk bewijs worden aangemerkt omdat deze verklaringen afkomstig waren uit dezelfde bron als het slachtoffer of onvoldoende onderbouwd waren.
Daarom kon niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit had begaan. De rechtbank sprak verdachte vrij. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak, en de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van het verweer, die tot op heden nihil zijn.