De zaak betreft een kort geding tussen [eiser], die zorg-huisvesting biedt, en [gedaagde], een cliënt die sinds 2018 via [eiser] woonruimte ontvangt. Na eerdere overlast in een eerste woning kreeg [gedaagde] in maart 2021 een woning aan een adres in [plaats 1]. Ondanks intensieve begeleiding bleef er sprake van overlast, waaronder vermoedens van drugsgebruik en prostitutie, wat leidde tot waarschuwingen en uiteindelijk de opzegging van de zorg-huurovereenkomst door [eiser].
De voorzieningenrechter stelt vast dat er vanaf medio 2022 herhaaldelijk meldingen van overlast zijn geweest, bevestigd door politie, woningcorporatie Bo-Ex en gemeente. Hoewel geen sluitend bewijs is gevonden voor drugshandel of prostitutie, is de overlast door bezoekers en [gedaagde] zelf aannemelijk. De belangen van omwonenden bij een veilige woonomgeving wegen zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij behoud van de woning.
Er is geen alternatief woonaanbod meer beschikbaar omdat Bo-Ex het eerdere aanbod heeft ingetrokken. De rechter acht de opzegging van de zorg-huurovereenkomst terecht en wijst de ontruimingsvordering toe, met een termijn van 30 dagen om [gedaagde] de gelegenheid te geven begeleid te verhuizen naar een verslavingskliniek of hostel, mede gelet op zijn gezondheid en de winterperiode.
De proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.