ECLI:NL:RBMNE:2023:5568
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bouw appartementen
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen een omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van een gemeente heeft verleend voor het bouwen van zes appartementen. Verzoekers maken bezwaar tegen de vergunning en willen de bouw stilleggen totdat hun bezwaar is behandeld.
De voorzieningenrechter overweegt dat het grootste deel van het bouwplan binnen het bestemmingsplan past en dat slechts een klein deel, een uitbouw aan de achterzijde, afwijkt. Het college heeft beleidsruimte om deze afwijking toe te staan als het bouwplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De belangenafweging moet zich beperken tot die afwijking.
Verzoekers richten hun bezwaren vooral op het bouwplan als geheel, waaronder welstandseisen en het Bouwbesluit, maar deze punten kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld. De voorzieningenrechter ziet geen evidente onrechtmatigheid in de voorlopige fase. De gevreesde inbreuk op het woongenot is vooral het gevolg van het bestemmingsplan zelf, niet van de kleine afwijking.
De voorzieningenrechter concludeert dat de vergunning waarschijnlijk in stand kan blijven en dat er geen reden is om de bouw te schorsen. De vergunninghouder mag starten met bouwen, maar op eigen risico. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen, waardoor de bouw kan starten.