In deze verzetprocedure stond de ontbinding van een huurovereenkomst centraal, waarbij de huurder aanvankelijk verstek kreeg wegens een vermeende huurachterstand van €2.171,05. De huurder had echter een deel van de huur voor de maanden februari, maart en april 2023 al betaald, maar tegen een iets lager bedrag dan de verhoogde huurprijs. Tijdens de mondelinge behandeling erkende de verhuurder dat zij bij de dagvaarding een fout had gemaakt door deze betalingen niet mee te rekenen, waardoor de werkelijke achterstand slechts €134,41 bedroeg.
De huurder had de volledige gevorderde achterstand uit het verstekvonnis betaald, waardoor zij feitelijk een deel van de huur dubbel had voldaan. De kantonrechter oordeelde dat het verzet tijdig en correct was ingesteld en verklaarde het verzet gegrond. Het verstekvonnis werd vernietigd en de huurder werd ontheven van de veroordelingen uit dat vonnis.
De verhuurder werd veroordeeld tot terugbetaling van de teveel betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente. Tevens werd de verhuurder veroordeeld in de proceskosten van zowel de verstek- als de verzetprocedure, met uitzondering van de kosten die voortvloeiden uit het niet verschijnen van de huurder in eerste aanleg. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.