De rechtbank Midden-Nederland heeft in deze civiele zaak de schriftelijke vastlegging van een pachtovereenkomst tussen de verpachter en pachters vastgesteld. De pachtovereenkomst betreft het gebruik van schuren en werktuigenberging voor agrarische doeleinden tegen een jaarlijkse pachtprijs van €8.500. De pachtkamer concludeerde dat ondanks aanvankelijke twijfel over de contractspartij, de pachters gerechtvaardigd mochten aannemen dat zij de rechtstreekse contractspartij waren geworden.
De rechtbank oordeelde dat de pachtovereenkomst voldoet aan de wettelijke definitie van pacht en legde de duur vast op zes jaren, ingaande 1 augustus 2017. Tevens werd het gebruik van de toegangsweg en het erf voor het bereiken en gebruik van het gepachte toegestaan, met voorwaarden ter bescherming van de belangen van de verpachter.
In reconventie vorderde de verpachter ontbinding van de pachtovereenkomst wegens ernstig ontoelaatbaar gedrag van de pachters, waaronder bedreigingen en mishandeling. De rechtbank stelde vast dat de pachters tekortgeschoten zijn in hun verplichtingen als goed pachter en dat de situatie onhoudbaar is geworden, mede door de impact op de persoonlijke levenssfeer van de verpachter. Daarom werd de pachtovereenkomst ontbonden per 1 december 2023, met een veroordeling tot ontruiming en verbod op betreding van het gepachte en erf zonder toestemming.
De rechtbank wees de vordering tot oplegging van een dwangsom af wegens gebrek aan belang en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.