Verdachte werd beschuldigd van meerdere woninginbraken en een poging tot insluiping in Amersfoort in de periode van 30 juni tot 2 juli 2023. De officier van justitie stelde dat verdachte kort na de poging tot inbraak in de buurt werd aangetroffen met gestolen goederen, en dat zijn kleding overeenkwam met het signalement van de dader. Verdachte ontkende de feiten en gaf verklaringen over zijn aanwezigheid en het bezit van de goederen.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van verdachte niet op voorhand onaannemelijk waren en niet door bewijs konden worden weerlegd. Er was geen bewijs dat verdachte daadwerkelijk in of bij de woningen was geweest, en het schoenprofiel kwam niet overeen met de sporen bij de inbraken. De herkenning door de aangever was onvoldoende betrouwbaar omdat deze alleen op kleding en postuur was gebaseerd en de aangever slechts met foto’s van verdachte was geconfronteerd.
Verder was het bezit van gestolen goederen op zichzelf onvoldoende om schuld aan te tonen, zeker gezien de plausibele verklaring van verdachte dat hij de pasjes had gevonden en het horloge van hemzelf was. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard en proceskosten werden gecompenseerd.