De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 10 maart 2023 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die was veroordeeld voor meervoudige oplichting in de periode van 2016 tot 2020.
De officier van justitie vorderde ontneming van € 375.321, maar de rechtbank baseerde zich op het vonnis in de hoofdzaak waarin was vastgesteld dat veroordeelde € 248.820 had ontvangen als gevolg van oplichting, waarvan € 75.000 was afgelost. De rechtbank ging ten gunste van veroordeelde uit van volledige aftrek van dit bedrag, waardoor het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil werd gesteld.
Omdat het geschatte voordeel geheel samenvalt met de reeds toegewezen vordering van de benadeelde partij, en artikel 36e lid 9 Sr bepaalt dat deze vordering in mindering wordt gebracht, concludeerde de rechtbank dat er geen voordeel resteert dat ontnomen kan worden. De vordering tot ontneming werd daarom afgewezen.