Verzoekster, docent natuur- en scheikunde, werd op 13 juni 2023 op staande voet ontslagen wegens het aanbrengen van een wijziging in het centraal examen waardoor een leerling vermeend voordeel zou hebben genoten. De werkgever stelde dat dit een dringende reden vormde voor ontslag.
De kantonrechter oordeelde dat de wijziging bestond uit het plaatsen van een pijl boven het antwoord van de leerling om een onvolkomenheid aan te geven, wat volgens het correctievoorschrift toegestaan was. Het overleg tussen eerste en tweede corrector, bedoeld om de puntentoekenning vast te stellen, had niet plaatsgevonden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat de leerling daadwerkelijk voordeel had genoten. De werkgever had onvoldoende hoor en wederhoor toegepast en handelde te voortvarend.
Het ontslag op staande voet werd daarom als niet rechtsgeldig beoordeeld wegens het ontbreken van een dringende reden. Verzoekster kreeg recht op een transitievergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Het verzoek tot rectificatie van een persbericht werd afgewezen omdat onvoldoende verwijt aan de werkgever kon worden gemaakt.