Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter in een familierechtelijke procedure over eenhoofdig gezag en wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen. Zij baseerde haar wraking op vermeende partijdigheid van de rechter, die eerder een onwelgevallige beschikking had gedaan in een gerelateerde zaak over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend. Op 14 augustus 2023 was in de oproepbrief aan verzoeksters advocaat al vermeld welke rechter de zaak zou behandelen, en op 23 augustus 2023 had diezelfde rechter een onwelgevallige uitspraak gedaan in een andere zaak. Verzoekster was dus al bekend met de feiten waarop het wrakingsverzoek was gebaseerd, maar diende het verzoek pas op 10 oktober 2023 in.
De wrakingskamer vond geen bijzondere omstandigheden die het late verzoek konden rechtvaardigen en verklaarde het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. De procedure in de onderliggende zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.