Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[kliniek] ,
[organisatie] ,
1.Procesverloop
- de advocaat van betrokkene;
- de heer [verzoeker] , psychiater;
- de heer [A] , geneesheer-directeur bij de [kliniek] .
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een klacht van een patiënt tegen de beslissing van een kliniek om hem op 4 mei 2023 verplichte medicatie toe te dienen tijdens zijn separatie. De patiënt was op dat moment niet psychotisch maar boos en was het niet eens met de toediening van een depot haloperidol en promethazine.
De klachtencommissie verklaarde de klacht over de verplichte zorg ongegrond, maar vond de klacht over de medicatie gegrond en kende een kleine schadevergoeding toe. De kliniek betwistte dit oordeel en stelde dat de klachtencommissie geen inhoudelijk geneeskundig oordeel mocht geven over medicatie.
De rechtbank oordeelt dat de klachtencommissie wel bevoegd was om ook de keuze van medicatie te betrekken bij de klacht, omdat dit deel uitmaakte van de klachtgrond. De rechtbank stelt vast dat de toediening van het depot in de gegeven omstandigheden doelmatig en proportioneel was, gezien de psychotische decompensatie en het weigeren van medicatie door de patiënt. Een kortwerkend middel was minder passend vanwege de noodzaak van dwang en mogelijke traumatische ervaring.
De rechtbank verklaart de klacht ongegrond en wijst het verzoek tot schadevergoeding af. De beschikking is uitgesproken op 24 oktober 2023 door rechter C.M.A.T. van der Geest.
Uitkomst: De klacht over de keuze en dosering van medicatie bij verplichte zorg wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.