ECLI:NL:RBMNE:2023:6093

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
15 november 2023
Zaaknummer
16/254293-22 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van afpersing en diefstal

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 27 juni 2023 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €720,-. Deze vordering is gebaseerd op een eerdere veroordeling van veroordeelde voor afpersing en diefstal gepleegd op 20 oktober 2020, waarbij een bedrag van €2.200,- werd verkregen van de benadeelde.

De officier van justitie baseerde de vordering mede op de verklaring van een mededader tijdens een zitting op 14 december 2021, waarin werd verklaard dat veroordeelde €720,- van het totaalbedrag heeft meegenomen. De verdediging betoogde bewijsuitsluiting van dit proces-verbaal en pleitte voor vrijspraak, maar de rechtbank verwierp dit standpunt.

De rechtbank oordeelde dat het verkorte proces-verbaal bruikbaar is als bewijsgrondslag voor de ontnemingsvordering en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €720,-. Er zijn geen kosten aangetoond die in mindering konden worden gebracht. De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde de maximale gijzelingstermijn op 28 dagen.

De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd uitgesproken op 11 juli 2023 door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €720 aan de staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/254293-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 1999 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] ,
hierna te noemen: veroordeelde.

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J. Bredius, advocaat te Zeist, naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, door de officier van justitie geschat op € 720,-. De officier van justitie baseert zich hierbij op de verklaring van [mededader 1] ter terechtzitting van 14 december 2021.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte integraal vrij moet worden gesproken van de ten laste gelegde feiten. Het verkorte proces-verbaal van de terechtzitting van 14 december 2021 tegen [mededader 1] moet worden uitgesloten van het bewijs. Bij bewijsuitsluiting van dit proces-verbaal moet vrijspraak volgen en moet dus de vordering tot ontneming worden afgewezen.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
feit 1 en 2:
de voortgezette handeling van
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed
onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Gepleegd op 20 oktober 2020.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die de veroordeelde heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat veroordeelde deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
3.2
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank - voor zover niet anders wordt vermeld - tot uitgangspunt wat is opgenomen in voornoemd verkort proces-verbaal van de zitting van 14 december 2021. De rechtbank heeft in het gelijktijdig uitgesproken vonnis in de stafzaak uiteengezet waarom het verkorte proces-verbaal van 14 december 2021 bruikbaar is voor het bewijs. De rechtbank oordeelt dat het verkorte proces-verbaal van 14 december 2021 om dezelfde redenen gebruikt kan worden als grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en verwijst voor de onderbouwing naar het vonnis in de strafzaak.
3.2.1.
Bruto opbrengst
Op 20 oktober 2020 is door veroordeelde en zijn mededaders een bedrag van € 2.200,-, toebehorende aan [benadeelde] , verkregen. [benadeelde] heeft € 200,- (contant geld), zijn pinpas en bijbehorende pincode aan veroordeelde en zijn mededaders afgegeven (feit 1). Met de verkregen pinpas en pincode is er een bedrag van € 2.000,- gepind (feit 2). [mededader 1] heeft op de zitting van 14 december 2021 verklaard dat hij en zijn mededaders, te weten veroordeelde en [mededader 2] , het bedrag van € 2.200,- hebben verdeeld. Hij heeft verklaard dat veroordeelde een bedrag van € 720,- heeft meegenomen. [1]
3.2.2.
Kosten
Er is de rechtbank niet gebleken van enige gemaakte kosten.
3.2.3.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen
voordeel wordt geschat vast op € 720,-.
3.4
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 720,-.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 720,-;
- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 720,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 28 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen , voorzitter, mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2023.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een (verkort) proces-verbaal ter terechtzitting van 14 december 2021 in de zaak tegen [mededader 1] , pagina 3.