ECLI:NL:RBMNE:2023:6094

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
15 november 2023
Zaaknummer
16/254304-22 (ontneming)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 740 euro na afpersing en diefstal

Op 11 juli 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die in 2020 betrokken was bij afpersing en diefstal. De zaak is inhoudelijk behandeld op 27 juni 2023, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten hebben toegelicht.

De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €740, gebaseerd op verklaringen van een medeverdachte. De verdediging betwistte dit bedrag en stelde dat slechts €200 bewezen was. De rechtbank stelde vast dat veroordeelde samen met mededaders een bedrag van €2.200 heeft verkregen, waarvan veroordeelde zelf €740 heeft ontvangen.

De rechtbank concludeerde dat geen kosten waren gemaakt en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €740. De betalingsverplichting aan de staat werd eveneens op dit bedrag vastgesteld. De duur van de gijzeling werd op 0 dagen gesteld, omdat veroordeelde minderjarig was ten tijde van het plegen van de feiten.

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €740 aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/254304-22 (ontneming)
Vonnis van de meervoudige kamer op de vordering van de officier van justitie tot ontneming
in de zaak tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedatum] 2003 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [veroordeelde] .

1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2023.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. N. Schapendonk en van hetgeen [veroordeelde] en zijn raadsvrouw, mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2.VORDERING

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en [veroordeelde] de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, door de officier van justitie geschat op € 740,-. De officier van justitie baseert zich hierbij op de verklaring van [medeveroordeelde 1] ter terechtzitting van 14 december 2021. Omdat [veroordeelde] minderjarig was ten tijde van het plegen van de strafbare feiten waaruit het wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen, moet de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 0 dagen worden gesteld.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot ontneming tot hoogstens € 200,- kan worden toegewezen, aangezien alleen de diefstal/afpersing voor dat bedrag bewezen kan worden.

3.BEOORDELING VAN DE VORDERING

3.1
De grondslag van de vordering
[veroordeelde] is bij vonnis van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor de volgende strafbare feiten:
feit 1 en 2:
de voortgezette handeling van
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed
onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.
Gepleegd op 20 oktober 2020.
De grondslag voor de ontnemingsvordering is een veroordeling voor een strafbaar feit. Voor de ontnemingsvordering betekent dit, dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel afkomstig uit de strafbare feiten die [veroordeelde] heeft begaan en strafbare feiten waarvan aannemelijk is dat [veroordeelde] deze heeft begaan (artikel 36e, lid 2 Wetboek van Strafrecht).
3.2
Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank - voor zover niet anders wordt vermeld - tot uitgangspunt wat is opgenomen in voornoemd proces-verbaal van de zitting van 14 december 2021.
3.2.1.
Bruto opbrengst
Op 20 oktober 2020 is door [veroordeelde] en zijn mededaders een bedrag van € 2.200,-, toebehorende aan [benadeelde] , verkregen. [benadeelde] heeft € 200,- (contant geld), zijn pinpas en bijbehorende pincode aan [veroordeelde] en zijn mededaders afgegeven (feit 1). Met de verkregen pinpas en pincode is er een bedrag van €2.000,- gepind (feit 2). [medeveroordeelde 1] heeft op de zitting van 14 december 2021 verklaard dat hij en zijn mededaders, te weten [veroordeelde] en [medeveroordeelde 2] , het bedrag van € 2.200,- hebben verdeeld. Hij heeft verklaard dat [veroordeelde] een bedrag van € 740,- heeft meegenomen. [1]
3.2.2.
Kosten
Er is de rechtbank niet gebleken van enige gemaakte kosten.
3.2.3.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen
voordeel wordt geschat vast op € 740,-.
3.4
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door [veroordeelde] dient te worden betaald aan de staat, vast op € 740,-.

4.TOEGEPAST WETSARTIKEL

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.BESLISSING

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de [veroordeelde] wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 740,-;
- legt de [veroordeelde] de verplichting op tot betaling van € 740,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- bepaalt de duur van de gijzeling op 0 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.D. Groen, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. L.E. Verschoor-Bergsma en G. Schnitzler, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 juli 2023.
De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Een (verkort) proces-verbaal ter terechtzitting van 14 december 2021 in de zaak tegen [medeveroordeelde 1] , pagina 3.