Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
529,00
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een kort geding waarin eiser vordert dat gedaagde de gehuurde woning ontruimt, omdat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd per 1 oktober 2023. Gedaagde weigert de woning te verlaten en betwist de huurachterstand en de geldigheid van de beëindigingsovereenkomst, stellende dat sprake zou zijn van dwaling.
De kantonrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang en of de vordering in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden toegewezen. Gelet op de aanzienlijke huurachterstand en het feit dat gedaagde geen inkomen heeft en geen substantiële betaling verwacht kan worden, is het spoedeisend belang aanwezig. Het beroep op dwaling faalt omdat gedaagde dit niet voldoende heeft onderbouwd en geen sprake is van een wilsgebrek.
De kantonrechter weegt mee dat ontruiming een ingrijpende maatregel is, maar gezien de omstandigheden en het ontbreken van een gedegen verweer wordt de ontruiming toegewezen. De termijn voor ontruiming wordt vastgesteld op 14 dagen na betekening. Tevens wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen 14 dagen en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.